Het treinstation in Brummen viel in 1970 onder de slopershamer. Niet lang daarvoor, in 1966, werd deze foto gemaakt. Net als een aantal andere stations aan de spoorlijn Arnhem – Zwolle, de IJssellijn, was het verouderd en overbodig geworden. Op een aantal plaatsen in ons land zijn soortgelijke stations wél bewaard gebleven en worden ze nog steeds gebruikt en vindt iedereen het anno nu hele mooie gebouwen. Niet dat op die stations nog wel stationschefs, lokettisten of kruiers te vinden zijn. Die zijn overal weg en vervangen door automaten en mobiele toepassingen.
Ook in bijvoorbeeld Velp en Rheden verdwenen de oude stationsgebouwen aan de IJssellijn en staat daar tegenwoordig, evenals in Brummen, een zielloze abri met bankje, prullenbak en hooguit een automaat. Dat in Dieren het oorspronkelijke stationsgebouw verdween, was trouwens te danken aan bombardementen tijdens de oorlog. Maar in die plaats bleef het overdekte middenperron uit 1904 tenminste bewaard en werd dat – inmiddels tot monument verklaard – opgenomen in de nieuwe stationsomgeving van de Traverse.
In Brummen bleef het station sloop dus niet gespaard. Misschien was dat ook te danken aan de lage status die Brummen als stopplaats had. De IJssellijn en de aanliggende stations werden op 2 februari 1865 feestelijk geopend. Stoomtreinen reden dagelijks over het traject. In 1953 onderging het traject Arnhem – Zutphen elektrificatie. Pas daarmee kwam Brummen weer terug in het spoorboekje, want in 1938 werd het als halteplaats uit de dienstregeling geschrapt. En hoewel er tijdens oorlog weer enkele treinen stopten, keerde Brummen pas in de dienstregeling van 1952 definitief terug. In 2025 maakten gemiddeld 872 reizigers per dag gebruik van het station, dus het voorziet nog steeds in een behoefte.
Het station op deze foto toont de situatie in 1966. Het witte gebouw was zoals gezegd in 1865 geopend en was er een van het type SS (Staats Spoor) 5e klasse. Architect K.H. van Brederode tekende voor het ontwerp en er werden tientallen van deze stations gebouwd in ons land. Het wordt beschreven als ‘Hoog middendeel met puntgevel, met aan weerszijden een korte even hoge vleugel die aan de straatzijde weinig en aan de perronkant sterk terug springt.’